Het volgende moet je als keurmeester over de teckel weten:

LAND VAN HERKOMST: Duitsland

FCI-NUMMER: 148

RASGROEP: 4, Dashonden

ALGEMENE VERSCHIJNING:
lage, kortbenige, lang gestrekte, maar compacte gestalte, zeer gespierd, met driest uitdagende hoofdhouding en attente gezichtsuitdrukking. Geslachtstypisch totaalbeeld. Ondanks de in verhouding tot het lange lichaam korte ledematen zeer beweeglijk en vlug. BELANGRIJKE PROPORTIES: bij een bodemafstand van ongeveer eenderde van de schofthoogte, moet de lichaamslengte in harmonische verhouding staan tot de schofthoogte van ongeveer 1 op 1,7 tot 1,8..
GEDRAG EN KARAKTER: vriendelijk van aard, noch angstig, noch agressief, met een evenwichtig temperament, een gepassioneerde, vasthoudende, flinke jachthond met een fijne neus.

HOOFD:
langgestrekt, van boven en opzij bezien gelijkmatig tot de neusspiegel smaller wordend, echter niet puntig. Wenkbrauwbogen duidelijk uitkomend. Neuskraakbeen en neuspunt lang en smal. Bovenschedel: eerst vlak, geleidelijk met slechts weinig aangeduide stop verlopend naar de licht gewelfde neusrug. Stop: alleen aangeduid. aangezichtschedel: neusspiegel goed ontwikkeld. De vang: lang, voldoende breed en sterk. Ver te openen, tot ter hoogte van de ogen gespleten. Lippen: strak gespannen, de onderkaak goed bedekkend.

KAKEN/GEBIT:
sterk ontwikkelde boven-en onderkaak. Schaargebit, gelijkmatig en goed sluitend. Ideaal is een compleet gebit met 42 elementen, overeenkomstig de tandformule met krachtige, juist in elkaar grijpende hoektanden.

OGEN:
middelgroot, ovaal, goed uit elkaar liggend, met heldere, energieke en toch vriendelijke uitdrukking, niet stekend. Kleur glanzend donkerroodbruin tot zwartbruin, bij alle haarkleuren van de hond. Glas-, vis-of parelogen bij gevlekte honden zijn niet gewenst, echter wel te tolereren.

BEHANG:
hoog, niet te ver naar voren aangezet, voldoende maar niet overdreven lang, afgerond, niet smal, puntig of geplooid. Beweeglijk, met de voorste rand dicht tegen de wang aanliggend.

HALS:
voldoende lang, gespierd, strak aanliggende keelhuid; licht gewelfde nek, vrij en hoog gedragen.

LICHAAM:
bovenbelijning: harmonisch verlopend van de hals naar het licht afvallende kruis. Schoft: uitgesproken. Rug: na de hoge schoft is het verloop van de verder borstwervels recht of met een lichte welving naar achteren verlopend. Sterk en goed bespierd. Lendenen: krachtig bespierd, voldoende lang. Kruis: breed en voldoende lang. Licht afvallend. Borst: borstbeen goed geprononceerd en zo sterk vooruitspringend, dat aan beide zijden kuiltjes zichtbaar zijn. De borstkas is van voren bezien ovaal, van boven en opzij bezien, zeer ruim. Ze biedt aan hart en longen ruimte voor ontplooiing, ver naar achteren opgeribd. Bij een goede lengte en hoekingen van het schouderblad en de opperarm, bedekt de voorpoot van opzij bezien het diepste punt van de borst. Onderbelijning en buik: licht opgetrokken.

VOORHAND:
sterk gespierd, goed gehoekt, van voren bezien droge, rechte voorbenen met goed sterk bot en recht naar voren gerichte voeten. Schouder: zichtbaar gespierd. Lang, schuin liggend schouderblad, vast tegen de borstkas aanliggend. Opperarm: van gelijke lengte als het schouderblad, nagenoeg in een rechte hoek hiermee staand, sterk van bot en goed gespierd, tegen de ribben aanliggend, maar vrij in beweging. Ellebogen: niet naar binnen, noch naar buiten draaiend. Onderarm: kort, echter wel zo lang dat de bodemafstand van de hond zowat eenderde van de schofthoogte bedraagt. Zo recht mogelijk. Voetwortelgewrichten: staan wat dichter bij elkaar dan de schoudergewrichten. Voormiddenvoet: mag, van opzij bezien niet steil, noch opvallend naar voren gericht zijn.Voorvoeten: goed tegen elkaarliggende tenen, goed gewelfd, met krachtige eeltkussens en korte sterke nagels. De vijfde teen heeft geen functie, maar hoeft niet te worden verwijderd.

ACHTERHAND:
sterk gespierd, in goede verhouding met de voorhand. Knie-en spronggewrichten sterk gehoekt, achterbenen parallel, niet nauw, noch wijd uit elkaar staand. Bovenbeen moet van goede lengte en sterk gespierd zijn. Kniegewricht: breed en sterk met uitgesproken hoekingen. Onderbeen: kort, bij benadering een rechte hoek vormend met het bovenbeen, goed gespierd. Spronggewricht: krachtig bespierd en droog. Achtermiddenvoet: relatief lang, beweeglijk ten opzichte van het onderbeen, licht naar voren gebogen.Achtervoeten: vier strak tegen elkaarliggende tenen, goed gewelfd. Vol op de krachtige zolen rustend.

STAART:
niet te hoog aangezet, in het verlengde van de ruglijn gedragen. In het laatste derde deel van de staart is een lichte kromming toegestaan.

GANGWERK:
de beweging moet ruim uitgrijpend , vloeiend en energiek zijn, met ruime, dicht bij de bodem liggende passen, krachtige stuwing en een licht veerkrachtige overbrenging naar de ruglijn. De staart moet daarbij in harmonische verlenging van de ruglijn, licht afvallend, gedragen worden. in actie zijn voor-en achterhand parallel uitgrijpend.

HUID:
strak aanliggend

GROOTTE EN GEWICHT:
standaard: borstomvang boven de 35 cm. Bovengrens gewicht ongeveer 9,0 kg.
dwerg: borstomvang 30 tot 35 cm, op een leeftijd van tenminste 15 maanden gemeten.
kaninchen: borstomvang tot 30 cm, op een leeftijd van tenminste 15 maanden gemeten.

FOUTEN:
alle afwijkingen van bovengenoemde punten moeten als fout aangerekend worden; de kwalificatie moet in verhouding staan met de graad van de afwijking. De M3 ( Molaren 3 ) worden bij het keuren buiten beschouwing gelaten. Het ontbreken van twee PM1 ( Premolaren 1 ) is niet als fout te waarderen. Het ontbreken van een PM2 is als fout te waarderen, als behalve de M3, geen andere tanden ontbreken, dus een afwijking van een correct sluitend schaargebit zoals bijvoorbeeld het tanggebit.

OPMERKING:
de reuen moeten twee normaal ontwikkelde , volledig in het scrotum ingedaalde testikels hebben.
 

 

 

Share This